de stof knippen
Bijna altijd wordt de stof voor het knippen dubbel gevouwen met de zelfkanten op elkaar. Waarom? Omdat je dan twee delen knipt waarvan er één spiegelbeeld is van de ander, bv een linker en een rechter mouw, een linker en een rechter broekspijp.
Patroondelen die maar één keer nodig zijn, zoals bv voor- en achterpanden van truien, worden op het patroonblad graag als "halve" patroondelen getekend, voor zover dit mogelijk is. Deze halve patroondelen worden dan aan de stofvouw gelegd en geknipt.

Aan één kant liggen de zelfkanten en aan de andere kant de stofvouw. De goede kant van de stof kan binnen of buiten liggen, dat is maar wat je zelf makkelijker vindt.
Vouw je de beide zelfkanten naar het midden van de stof, dan krijg je twee stofvouwen. Een stofvouw kan je ook op één-derde van de stof maken.
Bij kindermaten tot aan maat 110/116 werkt dit "éénderde/tweederde" omvouwen het voordeligste, omdat zo de gehele stof het beste gebruikt wordt. Het voorpand komt aan de ene stofvouw, het achterpand aan de andere stofvouw en dan blijft er in het midden nog voldoende ruimte over voor de mouwen.
Omdat stof toch best duur kan zijn is het handig om altijd naar de meest gunstige manier te zoeken waarop de patroondelen op de stof worden gelegd, om zo min mogelijk stof te gebruiken.

wat je nodig hebt: 

  • de overgetrokken patroondelen 
  • stof in de aangegeven hoeveelheid
  • kleermakerskrijt of verdwijnstift
  • een stofschaar
  • spelden
zuschneiden01.jpg

In dit voorbeeld wordt een vestje met kraag geknipt. Het achterpand valt aan de stofvouw, de voorpanden niet.

Leg alle patroondelen van de kniplijst op de stof en speld ze vast.
Laat voldoende ruimte over tussen de patroondelen zodat er naadtoeslag aangeknipt kan worden. 

 zuschneiden02.jpg

Knip alle patroondelen met naadtoeslag uit de stof. Gebruik een stofschaar.

richtlijnen voor naadtoeslagen:
normale naden 1 tot 1,5 cm. Zomen 1,5 tot 3 cm.

Deze naadtoeslagen en extra zoom zijn nodig omdat deze niet op het patroonblad staan meegetekend. Of je nu een toeslag aanhoudt van 1 cm of 1,5 cm , of minder of zelfs meer: het is een persoonlijke keuze. De meeste naaisters hebben aan 1 cm voldoende.
Naadtoeslag zit alleen op die plaatsen waar patroondelen aan elkaar worden gestikt. Als je daar van te voren geen rekening mee houdt is straks het kledingstuk misschien te klein.  Als je een naadtoeslag van 1 cm kiest, moet er ook later op 1 cm vanaf de kant gestikt worden. Kies daarom niet 1 cm naadtoeslag als je daarna een naad van 0,5 cm of 1,5 cm aan elkaar stikt. 
Het beste is altijd dezelfde afstanden te gebruiken. 

zuschneiden03.jpg

Neem alle tekens over op de stof.

Hulpmiddelen daarvoor zijn:verdwijnstift of kleermakerskrijt. Maar even een inknipje met de schaar in de naadtoeslag is ook een handige manier.

Pas op: soms verdwijnt de tekening van de verdwijnstift niet en blijven de streepjes achter op de stof. Vooral door te strijken hecht de stift zich aan de stof. Probeer het anders eens op een restje stof, of gebruik de stift alleen op naadtoeslagen.
 
Haal nu het patroon met de spelden weg.

Hoe de patroondelen nu in elkaar gezet worden staat beschreven in het patroon. Farbenmixpatronen hebben in de regel een stap-voor-stap beschrijving met foto's. Deze kan je in de desbetreffende kolom vinden. 

 
SEO by Artio